Gastro-elektrische stimulatie vermindert braakfrequentie bij patiënten met chronisch braken

Resultaten van een Frans onderzoek laten zien dat gastro-elektrische stimulatie (GES) de braakfrequentie bij patiënten met chronisch braken kan verminderen. Het effect werd zowel bij patiënten met als zonder diabetes gezien. De uitkomsten van de studie werden gepubliceerd in Gastroenterology. Ondanks het positieve effect op de braakfrequentie, zorgde GES bij patiënten in deze studie niet tot een significant versnelde maaglediging of toename van de kwaliteit van leven (QoL).

Hogefrequentie-GES wordt momenteel overwogen als behandeloptie bij patiënten met chronisch refractair braken, al dan niet geassocieerd met gastroparese. De effectiviteit van deze techniek is echter nog altijd voer voor discussie, aangezien eerdere studies wisselende resultaten lieten zien. Philippe Ducrotte en collega’s onderzochten daarom de effectiviteit van hogefrequentie-GES bij patiënten met refractair braken.


De 172 patiënten die werden geïncludeerd in de studie hadden al minimaal twaalf maanden last van chronisch braken en/of chronische misselijkheid, met symptomen die refractair waren voor anti-emetica en/of prokinetica. Geschikte kandidaten kregen een GES-pacemaker geïmplanteerd en werden willekeurig toegewezen aan één van twee studiearmen. Een maand na de implantatie werd het apparaat in de eerste groep vier maanden aangezet (“AAN”) en daarna vier maanden uit (“UIT”). In de tweede groep gebeurde het tegenovergestelde.


Primaire eindpunten waren de braakscore, van 0 (dagelijks braken) tot 4 (niet braken), en de QoL, gemeten met behulp van de Gastrointestinal QoL Index (GIQLI). De braakfrequentie bleek significant te zijn afgenomen gedurende de AAN-periode, met een gemiddelde braakscore van 2,2 (mediaan 2,0) ten opzichte van 1,8 (mediaan 1,0) tijdens de UIT-periode (p = 0,0009). De verbetering was zowel te zien bij patiënten met als zonder diabetes. De braakscore nam significant toe bij patiënten met vertraagde maaglediging (AAN: 2,3 versus UIT: 1,9; p = 0,01) en bij patiënten met normale maaglediging (AAN: 2,0 versus UIT: 1,5; p = 0,05). De gemiddelde GIQLI aan het einde van beide periodes was vergelijkbaar: 73,3 (AAN) versus 71,1 (UIT).


Secundaire eindpunten waren veranderingen in symptomen van dyspepsie, maaglediging, voedings- en diabetische parameters, en de preoperatieve Hospital Anxiety and Depression (HAD)-score. Wat betreft symptomen van dyspepsie, bleek de frequentie van misselijkheid verlaagd (p = 0,003) en de kwaliteit van de eetlust beter (p = 0,04) gedurende de AAN-periode. Verder werden geen significante verschillen gevonden tussen beide periodes.


Hoewel het verschil tussen de AAN- en UIT-periodes niet erg groot was (2,2 versus 1,8), wijzen de wetenschappers er op dat 30,6% van de patiënten een verbetering van tenminste één punt in de braakscore lieten zien tijdens de AAN-periode, vergeleken met 16,5% tijdens de UIT-periode. Dit wijst volgens de onderzoekers op een klinisch relevant verschil voor patiënten.


Referentie: Ducrotte P, et al. Gastroenterology 2019; doi: 10.1053/j.gastro.2019.10.018.

Geschreven door: Frans Corthals