Huidbijwerkingen bij immuuntherapie met checkpointremmers

De opkomst van immuuntherapie met checkpointremmers heeft geleid tot significant verbeterde klinische uitkomsten voor patiënten met verschillende soorten tumoren. Bij de behandeling met checkpointremmers komen immuungerelateerde huidbijwerkingen vaak voor. Deze bijwerkingen kunnen leiden tot het onderbreken of stopzetten van de behandeling, een afname in de kwaliteit van leven, morbiditeit of zelfs mortaliteit. Het is daarom van belang beter inzicht te krijgen in de oorzaken en behandelingen van immuungerelateerde huidbijwerkingen.

Relatie tussen huidbijwerkingen en behandelresultaten van immuuntherapie

In een retrospectief onderzoek naar de correlatie tussen huidbijwerkingen en therapie-uitkomsten werden 318 patiënten met gevorderd melanoom geïncludeerd, die waren behandeld met nivolumab met of zonder ipilimumab.1 Bij 120 patiënten werden huidbijwerkingen gerapporteerd. Deze patiënten hadden vaker een combinatie van ipilimumab/nivolumab gekregen ten opzichte van patiënten zonder huidbijwerkingen.

Het onderzoek liet zien dat patiënten met bijwerkingen van de huid beter op de immuuntherapie reageerden; zij hadden een langere progressievrije en algehele overleving. Dit gold met name voor patiënten met vitiligo of huiduitslag in vergelijking met patiënten met alleen jeuk. Deze waarneming suggereert mogelijk verschillende mechanismen voor vitiligo, jeuk en huiduitslag.

Dit is het eerste onderzoek dat heeft gekeken naar de relatie tussen huidbijwerkingen en behandelresultaten van immuuntherapie. Interessant is dat de patiënten die het grootste risico lopen op het ontwikkelen van huidbijwerkingen ook de patiënten zijn die het meeste baat lijken te hebben van de therapie. Verdere onderzoeken zullen de mechanismen achter deze relaties moeten ontdekken.

Behandelingen voor huidbijwerkingen

Er bestaan verschillende therapieën voor huidbijwerkingen die kunnen optreden bij een behandeling met checkpointremmers. De effectiviteit van deze lokale en systemische behandelingen is echter nog niet geheel duidelijk. In een retrospectieve analyse, waarin 285 patiënten met verschillende soorten solide tumoren werden geïncludeerd, is dit onderzocht.2 De patiënten waren behandeld met CTLA4-remmers (ipilimumab, tremelimumab), PD-1-remmers (nivolumab, pembrolizumab) of PD-L1-remmers (atezolizumab, avelumab, durvalumab). In totaal werden er bij de 285 patiënten in deze studie 427 immuungerelateerde huidbijwerkingen gerapporteerd, waaronder jeuk (32%), maculopapulaire uitslag (28%), psoriasiforme huiduitslag (5%) en andere huidbijwerkingen (34%). De meeste huidbijwerkingen (87%) waren graad 1/2. Daarbij leek mono- of combinatietherapie met een CTLA4-remmer geassocieerd met het optreden van maculopapulaire uitslag en een monotherapie met PD-(L)1-remmers met het optreden van lichenoïde, psoriasiforme en bulleuze reacties.

Dermatologische behandelingen, waaronder dermatocorticosteroïden, orale antipruritica en systemische immunomodulatoren, hadden een positief effect op de immuungerelateerde huidbijwerkingen. Bij de meeste patiënten kon de bijwerking met 1 of 2 graden in ernst verminderd of volledig verholpen worden. Maculopapulaire uitslag leek goed behandelbaar met alleen topische middelen en jeuk reageerde goed op gamma-aminobutyric acid (GABA)-analogen. Op basis van hun bevindingen hebben de auteurs een behandelalgoritme opgesteld, waarin de behandeling van psoriasiforme en lichenoïde uitslag zijn opgenomen, evenals doelgerichte therapieën voor de behandeling van corticosteroïdrefractaire immuungerelateerde huidbijwerkingen.

Referenties

  1. Quach HT, et al. JAMA Oncol 2019. doi:10.1001/jamaoncol.2019.0046
  2. Phillips GS, et al. J Clin Oncol 2019. doi:org/10.1200/JCO.18.02141

Geschreven door: Lynn O’Callaghan