Voorspellen welke patiënt met ernstig astma een goede respons heeft op orale corticosteroïden

Niet elke patiënt met astma heeft een goede respons op een behandeling met corticosteroïden. Zeker bij ernstig astma is dit een probleem en worden alternatieve behandelopties dan orale corticosteroïden geëxploreerd om de ziekte toch adequaat onder controle te krijgen. Van sommige factoren was al bekend dat deze de gevoeligheid voor corticosteroïden beïnvloeden, maar nooit eerder was hiernaar een gedegen cluster analyse verricht. Tot nu. De publicatie hiervan in de ‘Blue Journal’ geeft nieuwe inzichten en helpt bij het voorspellen of een patiënt een goede respons zal hebben op een behandeling met corticosteroïden.

Omdat de respons op corticosteroïden heterogeen is onder astmapatiënten, en langdurig oraal gebruik van corticosteroïden kan leiden tot ernstige lange termijn bijwerkingen, is een goed inzicht in de factoren die de respons beïnvloeden essentieel. Het kunnen identificeren van subfenotypes van astma met betrekking tot de respons op corticosteroïden zou van grote waarde zijn bij de keuze voor behandeling bij patiënten met (ernstig) astma.

Hierom verrichten Wu en collega’s een zogeheten ‘multiple kernel cluster analyse’. Hiermee konden zij 346 volwassenen met astma clusteren en data paren van sputumanalyses die verricht waren voor en na behandeling met orale corticosteroïden. Hierbij maakten zij gebruik van 100 variabelen, waaronder baseline en demografische variabelen, en statische en dynamische metingen inclusief de veranderingen hierin na gebruik van corticosteroïden (triamcinolon).

De onderzoeksgroep identificeerde vier clusters met onderscheidende responsen op corticosteroïd-behandeling met triamcinolon:

  • Cluster 1 (n=81) was relatief asymptomatisch maar zeer allergisch, met een vroeg-onset astma en een ongestoorde longfunctie. Van hen had 38% ernstig astma volgens de ATS-ERS criteria. Na gebruik van orale corticosteroïden lieten zij weinig verbetering zien in longfunctie, maar de hoogste toename in sputum macrofagen.
  • Cluster 2 (n=73) was met name van het vrouwelijk geslacht, en allergisch, maar iets ouder dan de patiënten in cluster 1. Zij hadden een licht gestoorde longfunctie en meer reversibiliteit dan cluster 1 en gebruikten meer geïnhaleerde corticosteroïden. Van hen voldeed 55% aan de criteria voor ernstig astma. Na gebruik van orale corticosteroïden had cluster 2 de hoogste afname in sputum macrofagen.
  • Cluster 3 (n=96) was het oudst en minst allergisch, maar met de meest gestoorde longfunctie en minste reversibiliteit. Zij hadden veel inflammatoire markers, reflux, hypertensie, neuspoliepen en sinusitis. Al meldde deze groep weinig klachten te hebben, zij exacerbeerden vaker en gebruikten meer orale corticosteroïden dan cluster 1 en 2. Van hen voldeed 77% aan de criteria voor ernstig astma. Na gebruik van orale corticosteroïden liet dit cluster de grootste verbetering in longfunctie en sputum eosinofielen zien.
  • Cluster 4 (n=96) was met name van het vrouwelijk geslacht en jong, met een vroeg-onset astma, veel symptomen en ernstige exacerbaties. Bijna de helft was van Afrikaans-Amerikaanse etniciteit. Zij hadden lage inflammatoire markers maar veel comorbiditeiten zoals diabetes, angst en depressie, en gestoorde slaap. Zij gebruikten de meeste orale corticosteroïden, hadden hoge serum neutrofielen, en gebruikten het meest van alle clusters biologicals. Van hen voldeed 79% aan de criteria voor ernstig astma. Zij lieten bijna geen respons zien op orale corticosteroïden, niet wat betreft longfunctie en niet wat betreft inflammatoire markers. De respons op luchtwegverwijding nam zelfs af na gebruik van orale corticosteroïden.

Ook identificeerden en valideerden de onderzoekers de top 12 baseline kenmerken die in de toekomst kunnen voorspellen welke patiënt tot welk cluster behoort en hiermee ook diens waarschijnlijke respons op orale corticosteroïden.

De onderzoeksgroep stelt dat met deze clusteranalyse een grote stap voorwaarts is gemaakt om in de toekomst ‘precision medicine’, ofwel maatwerk, te kunnen leveren. Door subgroepen te kunnen identificeren en zo te voorspellen welke patiënten waarschijnlijk ook echt baat zullen hebben van een behandeling met orale corticosteroïden, kunnen ernstige onnodige bijwerkingen voorkomen worden.

Door: Judith Cohen

Bron: Multiview cluster analysis identifies variable corticosteroid response phenotypes in severe asthma. Am J Resp Crit Care Med 2019; Jan 25. Epub ahead of print

Link naar bronartikel