Pembrolizumab goed verdragen door patiënten met gevorderde neuro-endocriene tumoren en carcinoïd

Pembrolizumab wordt in het algemeen goed getolereerd door patiënten met carcinoïden en neuro-endocriene tumoren (NET) die reeds een zware behandeling hebben ondergaan. Dat stelden onderzoekers tijdens een presentatie op het ESMO-congres 2017. Bij enkele patiënten zorgde pembrolizumab bovendien voor betekenisvolle antitumor activiteit.

Op het congres van de European Society for Medical Oncology (ESMO) presenteerde Janice Mehnert resultaten uit de KEYNOTE-028 studie. Met deze studie wordt de veiligheid en de effectiviteit van pembrolizumab onderzocht bij patiënten met PD-L1-positieve, gevorderde, solide tumoren. De presentatie op de ESMO was de eerste rapportage van het carcinoïde en pancreatische NET-cohort van de KEYNOTE-028 studie. Bij dit cohort kregen 41 patiënten met een PD-L1-positief carcinoïd of pNET tot twee jaar lang pembrolizumab toegediend. Voor inclusie moesten de tumoren goed- of matig gedifferentieerd zijn, moest de standaardtherapie hebben gefaald en de ECOG PS ≤ 1 zijn.

Bij zeventien carcinoïd-patiënten en elf patiënten met pNET trad een aan de behandeling gerelateerd adverse event (TRAE) op. De meest voorkomende TRAE’s waren diarree en vermoeidheid. Bij acht carcinoïd-patiënten trad TRAE op van minstens graad 3, bij geen enkele pNET-patiënt was dit het geval. Ook was en bij één carcinoïd-patiënt sprake van een TRAE graad 4 en was er één ongespecificeerd overlijdensgeval in het carninoïd-cohort. Deze laatste twee zaken waren volgens de onderzoekers niet therapie-gerelateerd. Bij drie patiënten met carcinoïd (12%) en één met pNET (6%) was er sprake van een objectieve respons. De duur van deze respons varieerde van 6,9 maanden (een carcinoïd-patiënt) tot 17,6 maanden en voortdurend (de pNET-patiënt).

De onderzoekers concluderen dat pembrolizumab bij patiënten met zwaar voorbehandelde carcinoïd/NET goed verdragen wordt en in sommige gevallen een klinisch betekenisvolle antitumor activiteit heeft.

 

Door: Michiel Hordijk

 

Referentie: Mehnert JM, et al. ESMO 2017;abstr. 427O.